Artikel uit Brabant Cultureel maart 2008.

 

Marije Kos

 Het eigentijds realisme van Rogier Janssen 

“Met mijn hobby verdien ik mijn brood, maar met mijn vak “ginne knoop”, stelt Rogier Janssen met een sappige Brabantse tongval, tussen zijn grote doeken in het Arnhemse atelier.  Hij is helaas net verhuisd van 67 naar ca  30 m2  De verveloze parketvloer verraadt dat hij hier nog nauwelijks heeft geschilderd. Hij werkt 32 uur per week als technicus in theater Markant in Uden, dus hij is noodgedwongen niet zo veel in zijn atelier als hij zou willen. De Udenaar ging naar de St.Lucas (mts) in Boxtel en daarna naar de Academie St. Joost in Breda.  Hij kwam via Stichting Camelot (anti-kraak) toevallig terecht in Arnhem, waar hij sindsdien woont en werkt. Alhoewel hij ook is opgeleid als graficus, is hij toch vooral schilder en fotograaf.

Het realisme is voor Janssen de enige optie. Samen met schilder Lique Schoot uit Arnhem stelde hij in 2004 zelfs een manifest op, als pleidooi voor een nieuwe figuratie in de schilderkunst: omarming van, commentaar of aanval op het hier en nu. De schilder kan alle kanten op. Rogier Janssen schildert (stads)landschappen. Weliswaar fungeren de landschappen  als omgeving of. achtergrond voor gebouwen of een menselijke figuur, maar toch beklijven ze als landschappen. De motieven bleven door de jaren heen, maar de uitvoering veranderde, de landschappen werden strakker en leger.

“Nederland is een omgeving die in hoge mate is vormgegeven door de mens. Er is hier bijna geen hoek te vinden zonder sporen van menselijke activiteit”. In de landschappen van Rogier Janssen staan de laatste jaren gebouwen centraal, of bouwsels zoals een gsm-mast,  bruggen, een verlaten grenspost. Ze zijn als het ware geportretteerd, zij het soms in een later, minder glorierijk stadium van hun bestaan.  

Vanaf 2004 vertoeft hij regelmatig in Polen en Tjechie en daar valt zijn blik steeds op die modernistische  gebouwen uit de communistische tijd, zoals de badhuizen aan de oever van het Dzbanmeer bij Praag. Ze zijn aangetast door de tijd, maar wel in gebruik. Door Janssen geschilderd doen ze bijna abstract aan, schurend langs de heldere Nederlands-Calvinistische traditie, maar wel met meerdere betekenislagen. De beschouwer krijgt meer op zijn bordje dan hij in eerste instantie vermoedt. 

Zijn ideeën over het Nederlandse consumptiegedrag ten aanzien van het landschap levert - gecombineerd met het communistische erfgoed in Polen - interessante beelden op. Vaak een strak functioneel gebouw in een groene omgeving, horizonnetje, heldere blauwe lucht. Voor een dergelijke vlakke leegte, deze weidse blik, moet je hier onderhand wel richting Flevopolder… Bij nadere beschouwing krijgt het geschilderde geheel echter toch iets onheilspellends: De mens is vertrokken, het is doodstil, ramen als donkere gaten. De desolate sfeer geeft treffend uitdrukking aan zijn opvatting over de Nederlandse bouwdrift  :”De omloopsnelheid van moderne bouwsels ligt hier - vergeleken met bijvoorbeeld Polen - verrassend hoog. Structuren die functie of nut verloren hebben, zijn vlug opgeruimd en vervangen”. Het heeft natuurlijk ook te maken met snelle bevolkingsgroei en grondschaarste, maar het landschap kan hier in een paar decennia inderdaad onherkenbaar veranderen. “Er is geen geduld voor organische groei en natuurlijk verval. Stukken geschiedenis worden   weggemoffeld”. Janssen ziet zijn schilderij Waalbruggen als een eigentijdse vanitas : “Ooit was deze brug bij Zaltbommel een heel drukke verkeersader. Ik heb hem geschilderd in een modderige omgeving, na 15 jaar onbruik. Hij had zijn functie verloren. Inmiddels alweer opgeruimd. Weer een stukje geschiedenis verdwenen”. In feite manifesteert Rogier Janssen zich hier bijna als een soort hedendaagse historieschilder: de geschiedenis van de grond en opstallen. 

Behalve gebouwen zijn er ook vrouwen: een serie werken heet “Fraai Nederlandsch naakt”.   Ze zijn aardser dan de Venus van Botticelli,  maar minder aards dan de veristische naakten van Lucian Freud. Ze hebben toch iets onwerkelijks, iets ongrijpbaars, mede omdat ze in een landschap staan waar ze eigenlijk niet lijken te zijn. Ze poseerden in de beschermde omgeving van het atelier, zijn vervolgens naakt uit het atelier geplukt en in - of eigenlijk voor - een weids, kaal landschap geplaatst. Of andersom. Eigenlijk op de manier zoals de Italiaanse schilders vroeger hun portretten van prachtige arcadische doorkijkjes en vergezichten voorzagen. Janssen: “ Deze vrouwen staan in eigentijdse onbehaaglijke (stads)landschappen.   Hun naaktheid is een metafoor voor kwetsbaarheid”. De schilder bereikt met deze kunstgreep een vervreemding die kracht bij zet aan zijn opvatting dat de eigentijdse mens nog slechts teruggeworpen wordt op zijn naakte zelf, omdat zijn omgeving geen houvast meer biedt, althans niet voor lang. De vrouwen van Rogier Janssen zien er voorlopig echter helemaal niet kwetsbaar uit, ze lijken zelfbewust en poseren onbekommerd, alsof ze geen vermoeden hebben van wat de schilder voor ze in petto heeft.

Janssen maakt veel gebruik van de fotografie. Zijn foto’s fungeren als schetsboek en ideeënarchief, maar zijn ook als autonome beelden heel interessant. Portretten, landschappen, doorkijkjes, ruïnes. Ze ademen een vooroorlogse sfeer, enerzijds door het gekozen gezichtspunt, het clair-obscur en de (zwart-wit) techniek, maar de dreigende luchten, vergezichten, gebouwen werken zeker mee. De foto’s ademen stuk voor stuk een   melancholische sfeer, die in Nederland nu wel vooroorlogs aandoet, maar in Polen eigentijds is.